Adviseren conform artikel 4:23 Wet financieel toezicht


De zorgplicht bij adviseren is één van meerdere specifiek geregelde zorgplichten.

Artikel 4:23 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) is in de Nederlandse wetgeving gecodificeerd op basis van Europees recht. Artikel 4:23 heet ook wel de adviesregel en kent 3 leden.

  • Het eerste lid beschrijft wat er moet gebeuren bij adviseren.
  • Het tweede lid geeft aan dat wanneer iemand niet adviseert, hij dit de klant voorafgaand aan zijn werkzaamheden moet melden.
  • Het derde lid maakt het mogelijk dat de Minister bij Algemene Maatregel van Bestuur het wetsartikel nader invult.

Niet alle financiele adviezen vallen onder de reikwijdte van artikel 4:23 Wft. Een financieel advies dat niet onder de reikwijdte valt hoeft ook niet aan de eisen te voldoen.

Daarnaast is er ook pas sprake van "adviseren", en dus de plicht om aan de eisen van het artikel te voldoen, als de adviseur werkzaamheden verricht die onder de definitie in de Wft van "adviseren" vallen.

Het gedragstoezicht op dit wettelijk adviestraject wordt uitgevoerd door de AFM

Het eerste lid
bestaat ook weer uit 3 delen. Elk deel beschrijft een onderdeel van het adviesproces.  

Het is aan te bevelen bij het bestuderen van dit onderwerp dit wetsartikel aandachtig te lezen en steeds als referentie te gebruiken.

Onderdeel a):Inventariseren

Onderdeel a) gaat over het inventariseren van de situatie van de consument of cliënt. Dat moet gebeuren als de financiele dienstverlener adviseert. Adviseren wordt in artikel 1 van de Wft gedefinieerd. Kern daarin is dat er sprake is van een specifieke aanbeveling van een specifiek financieel product. Daarbij  wordt onderscheid gemaakt tussen adviseren aan een cliënt of een particulier. Wetstechnisch heeft dit onderscheid wel betekenis, maar voor de adviespraktijk maakt het niet uit of geadviseerd wordt aan een cliënt of een particulier voor wat betreft de inventarisatie. In artikel 1 van de Wft staat ook gedefinieerd wat een consument is en wat een cliënt is. Een consument is een particuliere klant, een cliënt een zakelijke. 

Vervolgens wordt gesproken over een financieel instrument en een verzekering. Ook deze begrippen worden in artikel 1 van de Wft gedefinieerd. Daar wordt uitgebreid en precies beschreven welke financiële instrumenten bestaan. Globaal, maar onnauwkeurig gezegd, worden losse beleggingsinstrumenten bedoeld. Onder een verzekering worden schadeverzekeringen, levensverzekeringen, herverzekeringen en natura- uitvaartverzekeringen verstaan. Ook die worden weer elk gedefinieerd in artikel 1 van de Wft. Hier is ook wetstechnisch sprake van een relevant onderscheid, maar voor de verzekeringsadviespraktijk zonder consequenties. In het kader van verzekeringsadvies kun je zeggen dat er staat dat je het adviesproces moet volgen zoals dat in artikel 4:23 van de Wft staat beschreven als je een aanbeveling doet over een verzekeringsproduct aan een zakelijke of particuliere klant. Dat geldt ook als je individueel vermogen beheert.

Wanneer er spake is van adviseren moet de adviseur tenminste vijf zaken van de consument of cliënt inventariseren: 

voorzover dit redelijkerwijs relevant is voor het advies of het beheer van het vermogen.

Inventariseren van de financiële positie

De AFM geeft in de elfde leidraad tweedepijler pensioenadvisering aan wat zij belangrijk vindt bij het inventariseren van de financiële positie van de consument of de cliënt. Een belangrijk element in haar zienswijze is dat de adviseur zich een zelfstandig oordeel moet vormen over de betaalbaarheid van het financiële product in de toekomst. Natuurlijk is het niet mogelijk de toekomst te voorspellen, maar zaken die nu al inzicht in waarschijnlijke ontwikkelingen geven moet de adviseur wel meenemen. Een adviseur mag hierbij de hulp inroepen van de accountant, of een andere adviseur van de consument of cliënt hierbij betrekken, of er zelf één inschakelen. Hij blijft in de ogen van de AFM wel zelf verantwoordelijk voor het beoordelen van de financiële betaalbaarheid, en moet de adviezen van de ingeschakelde derden zelf interpreteren en evalueren.

Inventariseren van kennis en ervaring

Primair gaat het hierbij om de kennis en ervaring van de consument of cliënt met betrekking tot het financiële product en de toepassing daarvan. In de situatie van een tweede pijler pensioen zijn de pensioendeelnemers de uiteindelijke gebruikers van het pensioenproduct. Dit zijn echter niet de consumenten of cliënten van de adviseur. In deze situatie moet de adviseur de kennis en ervaring van de werkgever inventariseren.

Inventariseren van doelstellingen

De adviseur moet niet alleen de doelstellingen die de consument of cliënt heeft met het betreffende product inventariseren. Voor een consument moet hij ook zijn financiële doelstellingen in de breedte inventariseren. Voor een cliënt zijn dat bedrijfsdoelstellingen, strategie, aard van het personeelsbestand en cultuur. Het technisch inhoudelijk advies van de adviseur moet deze doelen bevorderen, of deze doelen in elk geval zo min mogelijk frustreren.

Eén van de elementen bij een advies aan een cliënt is dus het personeel. Via deze weg wordt het belang, de kennis en de ervaring van de deelnemers alsnog onder de verantwoording van de adviseur gebracht. Bij een advies dat consequenties heeft voor de (oud) medewerkers van de cliënt moet de adviseur ook hun belangen in het advies meewegen. De mate waarin kan variëren. Als de werknemers worden vertegenwoordigd door een deskundige, die door de ondernemingsraad is ingeschakeld, worden hun belangen op die wijze al behartigd. De adviseur van de cliënt zal, afhankelijk van de opstelling van deze adviseur, juist tegenwicht aan de eisen van deze adviseur geven om zo de belangen van zijn cliënt te behartigen. Als de adviseur van de werknemers ook rekening houdt met de belangen van de werkgever, moet de adviseur wel weer oog voor de belangen van de medewerkers houden. 

Inventariseren van de risicobereidheid

De adviseur moet de mate waarin de consument of cliënt bereid is om risico te lopen inventariseren. Een risico is de kans dat een bepaalde gebeurtenis zich voordoet, in combinatie met het negatief effect van die gebeurtenis als hij zich voordoet. De aard en breedte van de risico's variëren per consument of cliënt sterk. In het algemeen zal het verminderen of voorkomen van risico's kosten met zich meebrengen. Deze kosten kunnen de financiële haalbaarheid beïnvloeden en zelf ook weer een risico gaan vormen. In elk geval zal naar meer risico's gekeken moeten worden dan alleen het beleggingsrisico. Het risicomanagementmodel COSO II geeft hiervoor uitgebreide aanknopingspunten.

Onderdeel b): Analyseren en adviseren

Dit onderdeel betreft de totstandkoming van wat in de praktijk wel een "passend advies" wordt genoemd. De adviseur doet dit door de gegevens die hij in de inventarisatie heeft verzameld (voor zover relevant) in het advies te betrekken. Daarnaast moet de adviseur overige beschikbare informatie in het advies betrekken. Dit kan informatie zijn die bij de adviseur over de klant of de cliënt bekend is, maar die niet afkomstig is uit de inventarisatie. Denk in ieder geval aan de aanwezigheid en inhoud van een CAO, fiscale en overige regelgeving, de economische situatie en in het geval van collectief pensioen: de aanwezigheid en inhoud van een pensioenfonds waarbij de cliënt zich eventueel kan of moet aansluiten.

Onderdeel c): Informeren

DIt onderdeel verplicht de adviseur zijn advies aan de consument of de cliënt toe te lichten, voor zover dit relevant is voor een goed begrip van het advies. Dit impliceert dat de adviseur alternatieven die niet zijn geadviseerd, niet expliciet hoeft toe te lichten. Uiteraard geldt dit alleen als deze alternatieven, gezien de klantsituatie, geen reële alternatieve oplossingen vormen. Als de alternatieven ook goed zouden passen, moet hij de alternatieven bespreken met hun voor- en nadelen, zodat de consument of de cliënt zelf een overwogen keuze kan maken uit de alternatieven.

De wijze van informeren en de diepgang van de informatie moet de adviseur afstemmen op de kennis en ervaring van de consument of de cliënt. Ook moet de adviseur controleren of de consument of de cliënt het advies daadwerkelijk begrijpt.

Vastlegging

Daarnaast verlangt de AFM dat het adviesproces en de inhoud ervan reproduceerbaar is. Vastlegging van het advies in enige vorm is daarom noodzakelijk.

Dienstverlening op maat

Een advies hoeft niet altijd een volledig integraal advies te zijn. De diepgang en breedte van een advies kan op basis van de uitgangspunten van dienstverlening op maat steeds op de specifieke situatie worden afgestemd.

 

Relevante artikelen

  • Muis over: Toont verwante wiki's.
  • Dubbelklik: Ga naar de wiki.
  • Blauw: Beschikbaar na inloggen.
  • Groen: Maakt deel uit van jouw abonnement of een cursus die jij volgt.
  • Rood: Maakt geen deel uit van jouw abonnement of een cursus die jij volgt.